Gemaal Koningsschut

Voor de aanvoer van water naar het bovenpand van de Drentsche Hoofdvaart werd in 1792 bij Beilen een keerschut in de Beilerstroom geplaatst en werd de Beilervaart gegraven. Ook in de Dwingelerstroom tussen Batingeschut en Koningschut heeft een keerschut (Spijk- en Landschut) gestaan. Landeigenaren hadden veel overlast van de opstuwing van het water door deze schut. Daardoor werd deze stuw regelmatig vernield.

Opgeknapt

In 1814 werd de aan stukken geslagen stuw niet meer hersteld. Inmiddels waren er andere mogelijkheden voor de voeding van de Drentsche Hoofdvaart ontstaan. De eigenaar van het huis Oldengaerde onder Dwingeloo, A.W. van Holthe, had een vaart laten graven en wilde een scheepvaartverbinding hebben voor zijn bezittingen tot aan de Hoofdvaart. Hij had een vaartje laten graven dat de Dwingelerstroom juist boven het Koningsschut kruiste en gebruikt kon worden voor voeding van de Hoofdvaart. In 1824 zijn hiervoor onderhandelingen tussen van Holthe en de directie van Waterstaat gevoerd. Uiteindelijk is men tot overeenstemming gekomen. De provincie heeft het Koningschut in de Oude Vaart juist beneden het vaartje, waarvan van Holthe en anderen eigenaar waren, overgenomen en vernieuwd. Tevens verplichtte de provincie zich een keerschut bij de uitmonding van het vaartje van van Holthe in de Hoofdvaart te maken.

Heden

De stuw Koningsschut is een overdekte houten keerstuw op betonnen wanden. De stuw heeft nu geen functie meer in de waterhuishouding. De hoofdconstructie bestaat uit betonnen wanden met daarop een betonnen portaal. Het betonwerk is geschilderd (geweest). Op het portaal is een houten kap aanwezig. Het houtwerk is verduurzaamd met carbolineum. Onder de kap is een deel van het bedieningswerk aanwezig. Aan de zuidelijke pijler van het portaal is een vertragingskast aanwezig. De stuwklep is een uit hardhouten planken samengestelde constructie met een relatief kleine doorstoomopening.


Gemaal Koningsschut