Onderzoek en beoordeling

Het peilbesluit gaat over de in te stellen peilen van het oppervlaktewater. Het doel is om de grondwaterstand zo goed aan te laten sluiten bij het grondgebruik. Te natte gronden beperken de productie. Te droge gronden ook.  Als gebruikers aangeven dat hun percelen te nat of te droog zijn, let het waterschap op twee dingen.

Normale of extreme omstandigheden?

In de eerste plaats kijkt het waterschap naar de weersomstandigheden die het knelpunt veroorzaken: treed het knelpunt op in normale of extreme situaties? Het peilbesluit is namelijk gebaseerd op best passende waterpeil bij normale omstandigheden. Als blijkt dat de grondwaterstanden systematisch te hoog of te laag zijn, dan kijkt het waterschap of het aanpassen van het peil hiervoor een goede oplossing biedt. Voor extreme situaties hanteert het waterschap de norm dat bij gebeurtenissen die statistisch gemiddeld één maal in de tien jaar voorkomen, het oppervlaktewater tot aan rand van de oever staat. Volgens de norm, mag daarbij nog 5% van het laagste maaiveld onder water staan. Omgerekend betekent dit dat de gemalen op de Kampereilanden en Haatland op volle capaciteit ongeveer 20 mm per 24 uur kunnen wegpompen.

Status van het onderhoud?

In de tweede plaats kijkt het waterschap of achterstallig onderhoud van de hoofdwatergangen of van de service watergangen de oorzaak is van systematisch te hoge of te lage grondwaterstanden. Het waterschap begrijpt dat achterstallig onderhoud bij de service watergangen een lastig punt is. Voor deze watergangen geldt de plicht tot schouw, maar de controle ligt bij de boeren zelf. In het geval van achterstallig onderhoud van servicewatergangen, bieden we als waterschap aan om te bemiddelen. Voor het onderhoud van de hoofdwatergangen is het waterschap verantwoordelijk.